Ik ben niet goed in afscheid nemen. Nooit geweest. Op Schiphol word ik ook liever opgehaald bij thuiskomst, dan uitgezwaaid ten afscheid. Houterig maak ik me los uit de omhelzing met thuisblijvers, om zo snel mogelijk achter de douane te verdwijnen. De onzekerheid over wat er komen gaat is in mijn eentje goed te verdragen, maar de weerspiegeling daarvan in de ogen van de anderen maakt het onverdraaglijk. Ik kom liever thuis vol verhalen, nog in de roes van het zojuist overwonnen avontuur. In retrospect is de keuze voor het onbekende altijd heel verklaarbaar. Het is immers goed afgelopen.
Omdat dit mijn laatste column is, na bijna vier jaar wekelijks op deze plek in het Financieele Dagblad, voel ik nu ook die neiging om me zo snel mogelijk uit de voeten maken. Tegelijkertijd dwingt het me om even stil te staan en terug te kijken op een reis die even ongepland begon als eindigt.
Verhalen vertellen hoort bij mij. Door deze column is het schrijven een onderdeel van mij geworden. Om in alles wat ik mee maak in mijn werk of juist erbuiten verhalen te zien, patronen te herkennen en te benoemen. Me af te vragen wat het te betekenen heeft en er opnieuw naar te kijken. Om parallellen te trekken tussen kleine gebeurtenissen en het grotere verhaal, om de tijdgeest te schetsen waarin ik – net als u – werk en leef. Het helpt mij mijn ervaringen bewuster te verwerken en andere perspectieven te verkennen. Zonder precies te hoeven weten hoe het zit of een standpunt op te blazen.
Vaak kreeg ik de vraag of het niet vervelend was, elke week die druk van een deadline. Eerlijk is eerlijk, ik heb er een haat-liefde verhouding mee, die stamt uit een tijd ver voordat ik voor deze krant schreef. Vooruitwerken heb ik nooit gekund. Daarvoor ben ik te bedreven in het schijnbewegen: druk zijn met van alles, om maar niet te doen wat moet én wat ik eigenlijk het liefste doe. De druk van een deadline dwingt om keuzes te maken en maakt kiezen ineens heel simpel. Daardoor zijn deadlines voor mij zo verslavend.
Toen ik vier jaar geleden werd uitgenodigd voor dit columnistenavontuur had ik geen idee waar ik aan begon. Goddank zwaaide niemand me toen uit en ben ik gewoon op reis gegaan. Het heeft me, naast de liefde voor het schrijven, veel lieve, kritische, ontroerende en verontwaardigde emails, telefoontjes en ontmoetingen opgeleverd. Dank daarvoor. Nu vertrek ik opnieuw, zonder te weten waar deze nieuwe reis me brengt. Ik ben al bijna bij de douane, draai me om en zwaai nog even.
Als ik bij mijn ouders ben geweest, vertrek ik altijd met een extra tas. In de aanloop naar mijn komst verzamelt mijn moeder allerlei krantenknipsels. Over voorstellingen die ik beslist moet zien, recensies van boeken die ik absoluut moet lezen en andere onderwerpen die me zeker zullen interesseren. Daarnaast ligt een stapeltje met boeken die ze net zelf heeft gelezen en waarvan ze me de essentie allang heeft verklapt, maar die ik nog wel moet lenen. Het ritueel ontroert me met de jaren steeds meer.
Ik ben natuurlijk net zo. Afgelopen zaterdag zat ik met zeven vrienden bij een toneelstuk dat ik een week eerder ook al had gezien en waarbij ik voortdurend had bedacht wie het stuk ook zouden moeten zien. In het theaterstuk De geit, of wie is Sylvia van de Amerikaanse schrijver Edward Albee wordt een gelukkig getrouwde man verliefd op een geit. Met dat absurde gegeven als uitgangspunt, legt het toneelstuk de relaties tussen man en vrouw, hun zoon en hun beste vriend op scherpzinninge manier bloot. De man vertelt zijn vrouw onomwonden over zijn verliefdheid op de geit: “Ik hou van jou. En ik hou van haar. Zo staan de zaken.” Geen leugens of goedkope excuses, maar de naakte waarheid. Hoe absurd en verwerpelijk zijn verliefdheid op een geit ook klinkt, hoe kwetsend het voor vrouw en zoon ook is, met zijn recht door zee strategie overtuigt hij mij van zijn oprechtheid.
Door gewoon te zeggen waar het op staat, opende de hoofdpersoon de arena voor een gevecht waarin alle emoties voorbijkomen. Pijnlijk wordt het pas doordat iedereen bij zijn eigen verhaal blijft en het verhaal van de ander nauwelijks hoort. Niet uit onwil, wel uit onvermogen. Ze zijn simpelweg te druk met de wraakzucht, de verliefdheid of het loyaliteitsconflict. Ieders eenzaamheid wordt alleen maar erger met z’n tweeën, drieën of vieren.
Zo moeilijk is het dus om recht te doen aan iemands verhaal en echt te luisteren zonder oordeel. Of om dat oordeel uit te stellen, totdat je recht van spreken hebt. Door dit stuk realiseerde ik me opnieuw hoe moeilijk ik dat vind. Om echt te luisteren als ik iemands daden of standpunten afkeur en me er nauwelijks toe kan zetten om zijn of haar verhaal te horen. Dat ik harder ga praten, scherper word in mijn argumenten om mijn standpunt kracht bij te zetten, omdat ik wel begrepen wil worden, zonder de ander serieus te nemen.
‘We don’t see things as they are, we see them as we are’, zei schrijfster Anaïs Nin ergens in de vorige eeuw. Hoewel wordt betwist of het haar uitspraak is, of dat zij die jatte, heeft zij het goed gezien.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Eens in de zoveel tijd trap ik er in. Het is misschien naïef te denken dat er minstens zoveel mannen als vrouwen geïnteresseerd zijn in het onderwerp ‘vrouwen in de media’. En dus zag ik op de Erasmus Universiteit in gezelschap van vijftig vrouwen en vijf mannen, de Amerikaanse documentaire ‘Miss Representation’. De film wil aantonen dat door het onjuist weergeven van vrouwen in bladen, kranten en op televisie, nog steeds te weinig vrouwen invloedrijke posities innemen.
In een lawine van beelden kwamen schaars geklede vrouwen, gefotoshopte modellen, hitsige danseressen en nieuwslezeressen met diep décollete voorbij. Waarom is er niet een stortvloed aan mannenbeelden achter geplakt? Dat zou net zo’n stereotiep holbewonersbeeld van te snel rijdende, zuipende wezens in strak gesneden pakken en met een onstilbaar libido hebben opgeleverd. Net zo representatief en minstens zo vertekend. Het had het verhaal veel evenwichtiger gemaakt.
De film schrijft moeiteloos en zonder verdere onderbouwing eetstoornissen, depressies en automutilatie toe aan de toenemende mate waarin vrouwen op hun uiterlijk zouden worden beoordeeld. Succesvolle ‘anchorwomen’ en talkshowpresentatrices illustreren de ‘misrepresentation’ met hun ervaringen dat opmerkingen over kleding en uiterlijk altijd voorrang kregen voor inhoudelijke feedback.
Ik hoorde het aan en zou er heel verontwaardigd over moeten zijn, maar ik ergerde me intussen suf aan de eenzijdige benadering. Een film gemaakt door een vrouw, over vrouwen, vertoond voor voornamelijk vrouwen. Over ‘misrepresentation’ gesproken.
Als dagvoorzitter of spreker bij leiderschapsseminars, ben ik regelmatig de enige vrouw op het podium. Dat zou ik graag anders zien en daar zet ik me ook voor in. Natuurlijk let ik op wat ik aan heb en ben ik me ervan bewust dat ik genadeloos word beoordeeld op wat ik draag én wat ik zeg. Net zoals die mannen op datzelfde podium. Het is heel menselijk om elkaar te beoordelen op ‘looks’. Dat doen vrouwen net zo goed bij mannen. Van de gebleekte haardos van Geert Wilders, de krullenbol op hoofd en borst van Jeroen Pauw, alles aan George Cloony tot de kleur van de stropdassen van Mark Rutte.
Ik mis vooral Oprah in de film. De informele president van de VS, die openlijk worstelde met haar lijn, het ouder worden en het verval dat daarbij komt. Die Tom Cruise liet springen van verliefdheid op haar bank, die Dr. Phil de opstap naar een eigen psychotherapieshow bezorgde en die Obama een duwtje in de rug gaf. Oprah zegt altijd geruststellend in de camera dat het goed komt. Zij laat zien dat dat zo is.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Met pretlichtjes in zijn ogen, voert mijn neefje van vier voor zijn opa een buikspreek act op met een pluchen papegaai. Opa moet iets zeggen, waarna de papegaai het zal herhalen. Opa begint bescheiden met eenvoudige woorden als “weltrusten” en “koppiekrauw” en voert het niveau gestaag op naar woorden die mijn neefje nog niet begrijpt en toch moeiteloos nazegt. Met een licht verdraaid stemmetje en een schuin oog op de papegaai, zonder moeite te doen om zijn mondbewegingen te verbergen, praat hij opa na. Zijn triomfantelijke gegiechel verraadt dat hij ervan overtuigd is dat zijn opa echt gelooft dat de papegaai terugpraat in plaats van hijzelf.
Het leek wel alsof hij in zijn eentje een immitatie deed van de meest besproken praatprogramma’s van de afgelopen weken. Matthijs van Nieuwkerk die in DWDD een vraag stelde aan Rutger Castricum van Pownieuws en een nanoseconde later zelf antwoord gaf. Vervolgens speelde hij de bal door naar PvdA-coryfee Felix Rottenberg en journalist Frenk van der Linden die precies achter Rutger in het publiek zaten. Rutger zat klem. Het stekelige interview door Pauw&Witteman met Albayrak over haar vrouw- en Turks-zijn is inmiddels ook een YouTube klassieker. In diezelfde aflevering vond ik het gesprek met acteur Mark Rietman over de toneelversie van ABNAMRO drama De Prooi minstens zo tenenkrommend. Elke vraag naar zijn vertolking van Rijkman Groenink, werd door tafelgenoot en auteur van het boek Jeroen Smits, razendsnel voor Rietman beantwoord. Mark Rietman zat er net zo bij als de papegaai van mijn neefje.
Een hakkelende Rutger Castricum was heel even vermakelijk totdat ik me realiseerde dat een koekje van eigen deeg ook wel erg makkelijk is. Potentiele opvolgers van Cohen, als Van Dam en Albayrak meedogenloos voor een spervuur aan vooroordelen plaatsen om maar bevestiging te vinden voor de opvatting dat er binnen de PvdA niemand in heldere soundbites burgers naar de mond praat, voegt ook weinig constructiefs toe aan een maatschappelijk debat.
In praatprogramma’s wordt heel veel gepraat, alleen niet met elkaar. Kijken met het geluid uit verheldert veel. Interviewers zijn vooral zelf aan het woord, de “geïnterviewden” vormen het onderwerp van gesprek. Praten vóór elkaar gebeurt in heel wat zakelijke ‘talkshows’, buiten het oog van de camera volgens mij net zo hard. Dan noemen we het alleen geen praatprogramma, maar vergadering of strategische teamsessie. Met dezelfde consequenties: verontwaardiging, rumoer en een hoop lawaai, zonder dat wezenlijk iets verandert. Echt praten met elkaar vereist maar heel weinig woorden. Wel het vermogen en de bereidheid om te horen wat anderen te zeggen hebben.
Ik hoop van harte dat mijn kleine neefje zijn vermakelijke act nog een tijdje volhoudt, maar nooit uitgroeit tot een professionele buikspreker.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Ik geloof in de ondernemingsgeest en onbevangenheid van Nederland, maar mijn geloof wordt wel op de proef gesteld. Volgens mij zijn we hard op weg om onze grootste kracht kwijt te raken. Ik vind het de hoogste tijd om te laten zien waar we voor staan en daarvoor te gaan. Wat bepaalt het succes van een club, bedrijf of land? De neiging is om te denken: financiele middelen, getalenteerde mensen en de beste materialen of grondstoffen. Dat is mij te oppervlakkig. Volgens mij ligt het een laag dieper: een gemeenschappelijke ideaal, het delen van essentiele waarden, dát bepaalt succes. Daarvoor hoef je niet allemaal hetzelfde te zijn, of te denken. Wel vereist het een gedeeld fundament, iets gemeenschappelijks, waar je trots op bent. Waar je - om met Andre Hazes te spreken - bloed, zweet en tranen voor wilt geven. Simon Sinek licht in een prachtige TEDTalk (www.ted.com) toe dat als mensen vanuit een duidelijke gemeenschappelijke gedrevenheid – hij noemt het een gedeelde ‘Why’ - opereren en communiceren, echt het verschil kunnen maken.
Waar ik vroeger trots over ons land kon vertellen dat we open, ruim denkend en sociaal betrokken zijn, kijk ik nu met schaamte naar de discussies in Den Haag die een gebrek aan visie, lange termijn perspectief en dromen aan de dag leggen. Sterker: ze halen al die dromen en een krachtige visie onderuit. Het gaat alleen maar om aandacht in de pers en zetels winnen, door angst te zaaien en te manipuleren. Met het roemruchte meldpunt Polen van de PVV als dieptepunt. Uiteindelijk ondermijnt het Nederland steeds meer en leidt juist dit gedrag tot bevestiging van waar men bang voor is: verlies van baan en welvaart en verlies van onze identiteit. Om nog maar te zwijgen van onze reputatie in het buitenland. We hebben onze welvaart gecreëerd met nieuwsgierigheid, betrokkenheid, openheid en vernieuwingsdrang. We hebben leiders nodig die met een droom en perpectief komen, waar we voor willen gaan. Die ons laten voelen wat dat gedeelde fundament is, onze ‘Why’. Dat vereist een voortdurende positieve interactie met het buitenland (wat iets heel anders is dan dingen onder het tapijt vegen en niet willen zien). Dat is wat vele Nederlands bedrijven al jaren succesvol doen.
Ik geloof in de ondernemingsgeest en onbevangenheid van Nederland. Ik ga vandaag opnieuw de verbinding aan met mensen om mij heen om een mooier Nederland te bouwen, vanuit openheid en betrokkenheid met andere culturen. Ik weet zeker dat daar waardevolle innovaties uit voortkomen!
Ik volg televisie het liefst via Twitter. Zo zie ik meteen wat ‘hot’ is, zonder de tv ervoor aan te zetten en ik vermaak me enorm met het compacte en scherpzinnige commentaar. Het is alsof ik in een groot studentenhuis met bier en chips voor de buis zit. Iedereen praat door elkaar heen en van wat er werkelijk op tv gebeurt hoort bijna niemand iets, want we hebben het veel te druk met het elkaar aftroeven in assertiviteit.
Zo beleefde ik zondag het Nationaal Songfestival langs mijn ‘timeline’, zonder dat ik er een liedje van hoefde te horen. Wel of geen indianentooi? Die prangende kwestie was ‘trending topic’ na Joan Franka’s nationale triomf bij het Songfestival. Ik weet niet hoe haar liedje klinkt. Wel weet ik dat het er in en buiten de uitzending hard aan toe ging wat betreft haar hoofddeksel. De hausse aan commentaar over iets onbenulligs als een indianentooi kan nooit echt gaan over een paar veren op het hoofd van een nog niet zo bekende zangeres. Dat gaat over iets anders: beroemd worden is prima, dat wil iedereen wel, maar wee je gebeente als je dat anders doet dan de rest van Nederland. Ik vind het een prachtige paradox.
In allerlei tv-formats wordt gezocht naar uitzonderlijk talent als meesterkok, popster, fotomodel of ballroomdanser. Al die uit de hand gelopen talentenjachten wekken de verwachting dat een uitweg uit het alledaagse leven naar het bestaan als superster voor iedereen binnen handbereik ligt. Als je maar ergens uniek in bent. Al ligt er voor die uniciteit al wel vast een format klaar. Dat we van de meeste winnaars een jaar later weinig meer vernemen, doet aan de verleiding niets af. En dat de winnaars van de verschillende edities in beeld en geluid nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, brengt de gedachte dat ik de volgende kan zijn die beroemd wordt alleen maar dichterbij.
Zo uniek zijn die talenten die we zoeken misschien wel niet. Ster-zijn is mainstream geworden en uitzonderlijk talent doodnormaal. Na een voorselectie door een vakjury mag ik immers samen met de rest van Nederland vanaf de bank beslissen wie er wint. Zo brengen we uitzonderlijk talent terug tot een haalbare zaak. Voor onszelf. En stemmen we lelijke eendjes weg, nog voordat ze een zwaan kunnen worden.
Voor Joan Franka is die verentooi op of af geen vraag. Ze is er stellig over: “die hoofdtooi hoort bij mij, bij wie ik ben”. Ik weet niet of Joan vindt wat ze zoekt, straks bij de halve finale in Azerbeidjan. Ze heeft in elk geval iets unieks te pakken.
Verschenen in het Financieele Dagblad


