Ik ben niet goed in afscheid nemen. Nooit geweest. Op Schiphol word ik ook liever opgehaald bij thuiskomst, dan uitgezwaaid ten afscheid. Houterig maak ik me los uit de omhelzing met thuisblijvers, om zo snel mogelijk achter de douane te verdwijnen. De onzekerheid over wat er komen gaat is in mijn eentje goed te verdragen, maar de weerspiegeling daarvan in de ogen van de anderen maakt het onverdraaglijk. Ik kom liever thuis vol verhalen, nog in de roes van het zojuist overwonnen avontuur. In retrospect is de keuze voor het onbekende altijd heel verklaarbaar. Het is immers goed afgelopen.
Omdat dit mijn laatste column is, na bijna vier jaar wekelijks op deze plek in het Financieele Dagblad, voel ik nu ook die neiging om me zo snel mogelijk uit de voeten maken. Tegelijkertijd dwingt het me om even stil te staan en terug te kijken op een reis die even ongepland begon als eindigt.
Verhalen vertellen hoort bij mij. Door deze column is het schrijven een onderdeel van mij geworden. Om in alles wat ik mee maak in mijn werk of juist erbuiten verhalen te zien, patronen te herkennen en te benoemen. Me af te vragen wat het te betekenen heeft en er opnieuw naar te kijken. Om parallellen te trekken tussen kleine gebeurtenissen en het grotere verhaal, om de tijdgeest te schetsen waarin ik – net als u – werk en leef. Het helpt mij mijn ervaringen bewuster te verwerken en andere perspectieven te verkennen. Zonder precies te hoeven weten hoe het zit of een standpunt op te blazen.
Vaak kreeg ik de vraag of het niet vervelend was, elke week die druk van een deadline. Eerlijk is eerlijk, ik heb er een haat-liefde verhouding mee, die stamt uit een tijd ver voordat ik voor deze krant schreef. Vooruitwerken heb ik nooit gekund. Daarvoor ben ik te bedreven in het schijnbewegen: druk zijn met van alles, om maar niet te doen wat moet én wat ik eigenlijk het liefste doe. De druk van een deadline dwingt om keuzes te maken en maakt kiezen ineens heel simpel. Daardoor zijn deadlines voor mij zo verslavend.
Toen ik vier jaar geleden werd uitgenodigd voor dit columnistenavontuur had ik geen idee waar ik aan begon. Goddank zwaaide niemand me toen uit en ben ik gewoon op reis gegaan. Het heeft me, naast de liefde voor het schrijven, veel lieve, kritische, ontroerende en verontwaardigde emails, telefoontjes en ontmoetingen opgeleverd. Dank daarvoor. Nu vertrek ik opnieuw, zonder te weten waar deze nieuwe reis me brengt. Ik ben al bijna bij de douane, draai me om en zwaai nog even.
Als ik bij mijn ouders ben geweest, vertrek ik altijd met een extra tas. In de aanloop naar mijn komst verzamelt mijn moeder allerlei krantenknipsels. Over voorstellingen die ik beslist moet zien, recensies van boeken die ik absoluut moet lezen en andere onderwerpen die me zeker zullen interesseren. Daarnaast ligt een stapeltje met boeken die ze net zelf heeft gelezen en waarvan ze me de essentie allang heeft verklapt, maar die ik nog wel moet lenen. Het ritueel ontroert me met de jaren steeds meer.
Ik ben natuurlijk net zo. Afgelopen zaterdag zat ik met zeven vrienden bij een toneelstuk dat ik een week eerder ook al had gezien en waarbij ik voortdurend had bedacht wie het stuk ook zouden moeten zien. In het theaterstuk De geit, of wie is Sylvia van de Amerikaanse schrijver Edward Albee wordt een gelukkig getrouwde man verliefd op een geit. Met dat absurde gegeven als uitgangspunt, legt het toneelstuk de relaties tussen man en vrouw, hun zoon en hun beste vriend op scherpzinninge manier bloot. De man vertelt zijn vrouw onomwonden over zijn verliefdheid op de geit: “Ik hou van jou. En ik hou van haar. Zo staan de zaken.” Geen leugens of goedkope excuses, maar de naakte waarheid. Hoe absurd en verwerpelijk zijn verliefdheid op een geit ook klinkt, hoe kwetsend het voor vrouw en zoon ook is, met zijn recht door zee strategie overtuigt hij mij van zijn oprechtheid.
Door gewoon te zeggen waar het op staat, opende de hoofdpersoon de arena voor een gevecht waarin alle emoties voorbijkomen. Pijnlijk wordt het pas doordat iedereen bij zijn eigen verhaal blijft en het verhaal van de ander nauwelijks hoort. Niet uit onwil, wel uit onvermogen. Ze zijn simpelweg te druk met de wraakzucht, de verliefdheid of het loyaliteitsconflict. Ieders eenzaamheid wordt alleen maar erger met z’n tweeën, drieën of vieren.
Zo moeilijk is het dus om recht te doen aan iemands verhaal en echt te luisteren zonder oordeel. Of om dat oordeel uit te stellen, totdat je recht van spreken hebt. Door dit stuk realiseerde ik me opnieuw hoe moeilijk ik dat vind. Om echt te luisteren als ik iemands daden of standpunten afkeur en me er nauwelijks toe kan zetten om zijn of haar verhaal te horen. Dat ik harder ga praten, scherper word in mijn argumenten om mijn standpunt kracht bij te zetten, omdat ik wel begrepen wil worden, zonder de ander serieus te nemen.
‘We don’t see things as they are, we see them as we are’, zei schrijfster Anaïs Nin ergens in de vorige eeuw. Hoewel wordt betwist of het haar uitspraak is, of dat zij die jatte, heeft zij het goed gezien.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Eens in de zoveel tijd trap ik er in. Het is misschien naïef te denken dat er minstens zoveel mannen als vrouwen geïnteresseerd zijn in het onderwerp ‘vrouwen in de media’. En dus zag ik op de Erasmus Universiteit in gezelschap van vijftig vrouwen en vijf mannen, de Amerikaanse documentaire ‘Miss Representation’. De film wil aantonen dat door het onjuist weergeven van vrouwen in bladen, kranten en op televisie, nog steeds te weinig vrouwen invloedrijke posities innemen.
In een lawine van beelden kwamen schaars geklede vrouwen, gefotoshopte modellen, hitsige danseressen en nieuwslezeressen met diep décollete voorbij. Waarom is er niet een stortvloed aan mannenbeelden achter geplakt? Dat zou net zo’n stereotiep holbewonersbeeld van te snel rijdende, zuipende wezens in strak gesneden pakken en met een onstilbaar libido hebben opgeleverd. Net zo representatief en minstens zo vertekend. Het had het verhaal veel evenwichtiger gemaakt.
De film schrijft moeiteloos en zonder verdere onderbouwing eetstoornissen, depressies en automutilatie toe aan de toenemende mate waarin vrouwen op hun uiterlijk zouden worden beoordeeld. Succesvolle ‘anchorwomen’ en talkshowpresentatrices illustreren de ‘misrepresentation’ met hun ervaringen dat opmerkingen over kleding en uiterlijk altijd voorrang kregen voor inhoudelijke feedback.
Ik hoorde het aan en zou er heel verontwaardigd over moeten zijn, maar ik ergerde me intussen suf aan de eenzijdige benadering. Een film gemaakt door een vrouw, over vrouwen, vertoond voor voornamelijk vrouwen. Over ‘misrepresentation’ gesproken.
Als dagvoorzitter of spreker bij leiderschapsseminars, ben ik regelmatig de enige vrouw op het podium. Dat zou ik graag anders zien en daar zet ik me ook voor in. Natuurlijk let ik op wat ik aan heb en ben ik me ervan bewust dat ik genadeloos word beoordeeld op wat ik draag én wat ik zeg. Net zoals die mannen op datzelfde podium. Het is heel menselijk om elkaar te beoordelen op ‘looks’. Dat doen vrouwen net zo goed bij mannen. Van de gebleekte haardos van Geert Wilders, de krullenbol op hoofd en borst van Jeroen Pauw, alles aan George Cloony tot de kleur van de stropdassen van Mark Rutte.
Ik mis vooral Oprah in de film. De informele president van de VS, die openlijk worstelde met haar lijn, het ouder worden en het verval dat daarbij komt. Die Tom Cruise liet springen van verliefdheid op haar bank, die Dr. Phil de opstap naar een eigen psychotherapieshow bezorgde en die Obama een duwtje in de rug gaf. Oprah zegt altijd geruststellend in de camera dat het goed komt. Zij laat zien dat dat zo is.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Met pretlichtjes in zijn ogen, voert mijn neefje van vier voor zijn opa een buikspreek act op met een pluchen papegaai. Opa moet iets zeggen, waarna de papegaai het zal herhalen. Opa begint bescheiden met eenvoudige woorden als “weltrusten” en “koppiekrauw” en voert het niveau gestaag op naar woorden die mijn neefje nog niet begrijpt en toch moeiteloos nazegt. Met een licht verdraaid stemmetje en een schuin oog op de papegaai, zonder moeite te doen om zijn mondbewegingen te verbergen, praat hij opa na. Zijn triomfantelijke gegiechel verraadt dat hij ervan overtuigd is dat zijn opa echt gelooft dat de papegaai terugpraat in plaats van hijzelf.
Het leek wel alsof hij in zijn eentje een immitatie deed van de meest besproken praatprogramma’s van de afgelopen weken. Matthijs van Nieuwkerk die in DWDD een vraag stelde aan Rutger Castricum van Pownieuws en een nanoseconde later zelf antwoord gaf. Vervolgens speelde hij de bal door naar PvdA-coryfee Felix Rottenberg en journalist Frenk van der Linden die precies achter Rutger in het publiek zaten. Rutger zat klem. Het stekelige interview door Pauw&Witteman met Albayrak over haar vrouw- en Turks-zijn is inmiddels ook een YouTube klassieker. In diezelfde aflevering vond ik het gesprek met acteur Mark Rietman over de toneelversie van ABNAMRO drama De Prooi minstens zo tenenkrommend. Elke vraag naar zijn vertolking van Rijkman Groenink, werd door tafelgenoot en auteur van het boek Jeroen Smits, razendsnel voor Rietman beantwoord. Mark Rietman zat er net zo bij als de papegaai van mijn neefje.
Een hakkelende Rutger Castricum was heel even vermakelijk totdat ik me realiseerde dat een koekje van eigen deeg ook wel erg makkelijk is. Potentiele opvolgers van Cohen, als Van Dam en Albayrak meedogenloos voor een spervuur aan vooroordelen plaatsen om maar bevestiging te vinden voor de opvatting dat er binnen de PvdA niemand in heldere soundbites burgers naar de mond praat, voegt ook weinig constructiefs toe aan een maatschappelijk debat.
In praatprogramma’s wordt heel veel gepraat, alleen niet met elkaar. Kijken met het geluid uit verheldert veel. Interviewers zijn vooral zelf aan het woord, de “geïnterviewden” vormen het onderwerp van gesprek. Praten vóór elkaar gebeurt in heel wat zakelijke ‘talkshows’, buiten het oog van de camera volgens mij net zo hard. Dan noemen we het alleen geen praatprogramma, maar vergadering of strategische teamsessie. Met dezelfde consequenties: verontwaardiging, rumoer en een hoop lawaai, zonder dat wezenlijk iets verandert. Echt praten met elkaar vereist maar heel weinig woorden. Wel het vermogen en de bereidheid om te horen wat anderen te zeggen hebben.
Ik hoop van harte dat mijn kleine neefje zijn vermakelijke act nog een tijdje volhoudt, maar nooit uitgroeit tot een professionele buikspreker.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Ik geloof in de ondernemingsgeest en onbevangenheid van Nederland, maar mijn geloof wordt wel op de proef gesteld. Volgens mij zijn we hard op weg om onze grootste kracht kwijt te raken. Ik vind het de hoogste tijd om te laten zien waar we voor staan en daarvoor te gaan. Wat bepaalt het succes van een club, bedrijf of land? De neiging is om te denken: financiele middelen, getalenteerde mensen en de beste materialen of grondstoffen. Dat is mij te oppervlakkig. Volgens mij ligt het een laag dieper: een gemeenschappelijke ideaal, het delen van essentiele waarden, dát bepaalt succes. Daarvoor hoef je niet allemaal hetzelfde te zijn, of te denken. Wel vereist het een gedeeld fundament, iets gemeenschappelijks, waar je trots op bent. Waar je - om met Andre Hazes te spreken - bloed, zweet en tranen voor wilt geven. Simon Sinek licht in een prachtige TEDTalk (www.ted.com) toe dat als mensen vanuit een duidelijke gemeenschappelijke gedrevenheid – hij noemt het een gedeelde ‘Why’ - opereren en communiceren, echt het verschil kunnen maken.
Waar ik vroeger trots over ons land kon vertellen dat we open, ruim denkend en sociaal betrokken zijn, kijk ik nu met schaamte naar de discussies in Den Haag die een gebrek aan visie, lange termijn perspectief en dromen aan de dag leggen. Sterker: ze halen al die dromen en een krachtige visie onderuit. Het gaat alleen maar om aandacht in de pers en zetels winnen, door angst te zaaien en te manipuleren. Met het roemruchte meldpunt Polen van de PVV als dieptepunt. Uiteindelijk ondermijnt het Nederland steeds meer en leidt juist dit gedrag tot bevestiging van waar men bang voor is: verlies van baan en welvaart en verlies van onze identiteit. Om nog maar te zwijgen van onze reputatie in het buitenland. We hebben onze welvaart gecreëerd met nieuwsgierigheid, betrokkenheid, openheid en vernieuwingsdrang. We hebben leiders nodig die met een droom en perpectief komen, waar we voor willen gaan. Die ons laten voelen wat dat gedeelde fundament is, onze ‘Why’. Dat vereist een voortdurende positieve interactie met het buitenland (wat iets heel anders is dan dingen onder het tapijt vegen en niet willen zien). Dat is wat vele Nederlands bedrijven al jaren succesvol doen.
Ik geloof in de ondernemingsgeest en onbevangenheid van Nederland. Ik ga vandaag opnieuw de verbinding aan met mensen om mij heen om een mooier Nederland te bouwen, vanuit openheid en betrokkenheid met andere culturen. Ik weet zeker dat daar waardevolle innovaties uit voortkomen!
De persconferentie van Cohen over zijn aftreden leek te gaan over falen, maar ging voor mij juist over zijn succes. Ontspannen legt Cohen voor de camera uit dat hij onvoldoende effectief is geweest in zijn rol als fractievoorzitter. De zure vragen van journalisten waar hun antwoorden allang in opgesloten liggen, legt hij licht knorrig en vooral laconiek terzijde. Hij schetst zijn streven naar een fatsoenlijke samenleving, zijn inspanningen om dat te realiseren en nu is zijn conclusie: ik heb het geprobeerd op mijn manier, het is me niet gelukt en nu is het mooi geweest. Na jarenlang bejubeld te zijn om zijn kwaliteiten als burgemeester van Amsterdam, bleken integriteit en genuanceerdheid in Den Haag ineens het recept van zijn gifbeker te zijn. Daarmee leek zijn Amsterdamse succes ook volledig verdwenen. Het maakt in elk geval duidelijk hoe grillig en flinterdun de scheidslijn tussen succes en falen is.
“Succes is een keuze” riep een snelle manager jaren geleden in een soepreclame. Deze maakbaarheidsopvatting hoor ik in werkelijkheid ook vaak, maar die maakt succes eendimensionaal maakt en gaat onterecht uit van gelijke kansen voor iedereen. Die stelling is me iets te makkelijk. Succes als keuze maakt wel duidelijk dat je er zelf iets voor moet doen. In een TEDtalk legt ‘succesdeskundige’ Richard St. John in drieëneenhalve minuut uit dat succesvol zijn vooral een kwestie is van het volgen van je passie en volharding: doe waar je in gelooft, focus en geef niet op bij tegenvallende resultaten of mensen die niet in je geloven.
Dat vereist nogal wat zelfvertrouwen en het vermogen om je niet af te laten leiden door het – soms ogenschijnlijke - succes van de mensen om je heen. Op de momenten waarop ik niet meer weet waar ik goed in ben en waar ik eigenlijk naartoe werk, lijkt het alsof iedereen om me heen dat wél weet en er ook overal in slaagt. Mij helpt dat blindstaren op het succes van anderen nooit. Het brengt me uit mijn evenwicht en houdt me alleen maar af van het lopen van mijn eigen race. Succes is voor mij net zoiets als geluk. Je streeft ernaar, werkt er hard voor, leert van je fouten en blijft vertrouwen. Soms is het er dan ineens, onaangekondigd, net zoals het weer vertrekt. Dat houdt het exclusief en maakt het tot iets vluchtigs.
Cohen kiest eieren voor zijn geld. Ik zal nooit weten of die keuze hem moeilijk of uitendelijk toch gemakkelijk viel. Hij laat zich bij zijn aftreden in elk geval geen woorden in de mond leggen, steekt hand in eigen boezem én houdt vast aan waar hij zelf voor staat. Hard op weg naar zijn eigen succes.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Nietsvermoedend liep ik de tentoonstelling Uit voorraad leverbaar bij het Nederlands Architectuurinstituut binnen. Ik was eigenlijk op weg naar een andere expositie, maar bleef staan te midden van foto’s van winkelstraten en pleinen in middelgrote Nederlandse steden. De wanden waren bekleed met afbeeldingen uit catalogi waaruit het straatmeubilair wordt besteld. Op elke foto zag ik dezelfde straten, terrassen en pleinen zonder dat ik kon zeggen welke opname in Winschoten, Steenwijk of Raalte was genomen. Wel zag ik de dappere pogingen per gemeente om eigen accenten aan te brengen.
In de toelichting lees ik dat dit straatbeeld een weerspiegeling vormt van een ‘fascinerend compromis tussen verschillende benaderingen en belangen’. Ik zie de energievretende vergaderingen tussen onverbiddelijke gemeenteambtenaren, aanvankelijk nog enthousiaste architecten en ondernemers voor me. De ingehouden frustratie is zichtbaar in het eindresultaat.
Meer dan de verstikking, trof mij die drang om onderscheidend te zijn. De moeite die wordt gedaan om een eigen draai te geven aan het voorspelbare straatbeeld. Net even een spectaculairdere vorm van straatverlichting, of een iets hippere bank bij het plein. Ook na ons afstuderen in het oer-Hollandsche gepolder, willen we verschil maken. We willen iets toevoegen wat er nog niet is, waar we onze hand in herkennen en waar de wereld – in onze eigen beleving – mooier van wordt.
Ik denk dat er in meer mensen wereldverbeteraars schuilen dan we op het eerste oog zien. Die wel willen, maar niet weten hoe. Nadat er jarenlang in de hoogste bestuurlijke regionen en op elitaire conferenties is gepraat over het belang van ‘people’ en ‘planet’ naast de broodnodige ‘profit’, wordt het tijd om daar niet hoogdravend over te doen en het gewoner te maken. Verschil maken dichter bij huis. Natuurlijk hebben strategische beslissingen van multinationals die zich hardmaken voor eerlijk produceren en verstandiger omgaan met grondstoffen een grotere – want wereldwijde – impact. Voor alledaagse idealisten, zoals wij, lijken de enige mogelijkheden binnen handbereik dingen als lid worden van Natuurmonumenten of iets vaker met de fiets boodschappen halen. We willen best meer doen, want we geven graag aan Giro 555 en putten ons uit in creatieve acties voor Serious Request.
De kunst is om juist in het alledaagse het verschil te maken. Niet alleen buiten het werk, maar ook tijdens kantooruren. Weten waar je met je werk aan bijdraagt, voor wie je het doet en zien hoe je er je eigen draai aan kunt geven. Daarvoor hoef je niet per se ceo van een multinational te zijn en een CO2-neutraal huis aan de Vecht te laten bouwen. De wereldverbeteraars wonen ook in Raalte, Steenwijk en Winschoten.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Mijn uitnodiging was eenvoudig: “ik organiseer een diner in select gezelschap, om dromen te delen. Kom je ook?” Respons kwam verrassend snel en was positief. Dus zat ik afgelopen week met zeven dromers, waaronder een musicus, een manager uit de pensioenwereld, een fotograaf&veranderaar en een directeur van een goede doelen organisatie aan onze keukentafel. Allemaal mensen met eigen verhalen, overtuigingen en ambities. Ik kende iedereen, de rest elkaar nog niet. Nieuwsgierig naar wat er komen ging, stelde ik iedereen aan elkaar voor en vertelde mijn eigen droom: ondernemers in ontwikkelingslanden de kans geven zichzelf te ontwikkelen.
De dromen vlogen over tafel. Muziek uit de beslotenheid van concertzalen halen en het terugbrengen naar mensen op straat, op openbare plekken. Muziek moet mensen verbinden, zoals bedoeld was, voordat muziek als linkse hobby werd afgedaan. Of de droom om elk kind met een handicap in ontwikkelingslanden op eigen benen laten staan. Of van pensioenen weer een menselijk product maken, dat iedereen begrijpt. Een pensioen waarvan je eigen vader ook snapt wat en hoe hij spaart. Of realiteitszin terug brengen in directiekamers, door van reputatie een meetbare factor te maken waarvoor het net zo normaal wordt om verantwoording af te leggen als voor winst en verlies.
Hoe verschillend de karakters, achtergrond, werkvelden of levensfases ook zijn aan deze tafel, er komt één gemeenschappelijke deler naar voren: we moeten terug naar de essentie en de menselijke maat. Of het nu gaat over pensioenen, nieuwe vormen van bestuur of het maken van muziek, daar gaat het in alle dromen deze avond over. Dat zegt iets over deze tijd en is tegelijkertijd misschien niet eens zo wereldschokkend. De kracht zit vooral in het hardop uitspreken van die dromen en het delen ervan. Dat is de eerste stap van droom naar werkelijkheid. De vragen en reacties van anderen prikkelen, dagen uit en geven steun. De ontdekking dat iedereen hier op zijn of haar manier probeert verschil te maken én de ervaring daar niet alleen in de te zijn, verbindt ons en brengt ons verder. Het vereist het lef om aan poorten te rammelen die niet altijd vanzelf open gaan en waar je niet per se met applaus wordt ontvangen. Omdat jij iets ziet wat veel anderen nog niet zien. Daarom geven deze verhalen zoveel energie en inspiratie.
Deze tijd waarin broekriemen worden aangetrokken, banen op de tocht staan en zekerheden niet meer bestaan vraagt juist om mensen met visionaire dromen en ondernemers die er werkelijkheid van maken. ‘A dream without a vision is a nightmare’ zoals Ousman, een wijze afrikaan in Gambia het eens omschreef. Een beetje een goede droom, daar is niets vrijblijvends aan.
Verschenen in het Financieele Dagblad
La Défense is mijn lievelingsplek in Parijs. Ik krijg mijn vrienden lastig uitgelegd dat ik me net zo lief vergaap aan de inmiddels wat sleets geworden kantorenwijk, als te slenteren door Le Marais. In mijn ogen is het woud van spiegelende gebouwen en La Grande Arche als symbool voor Mitterands machtsvertoon, een icoon van de jaren ’80. Schaalvergroting werd het toverwoord, goochelen met spreadsheets verdrong het ambacht. De Manager werd geboren, die wist wat er moest gebeuren en die elke tent kon ‘runnen’.
Het is de mananger net zo vergaan als La Défense. De glorie van de hoogtijdagen echoot zachtjes na en de grandeur heeft iets aandoenlijks gekregen. De onpersoonlijke torens van ondoorzichtige glas, waardoor je wel naar buiten maar niet naar binnen kunt kijken, weerspiegelen een denkwijze die niet meer past bij vandaag. Het aura van succes rond managers is vervangen door meewarige blikken. Had je maar een vak moeten leren.
De Volkskrant wijdde er afgelopen weekend een katern aan, met de weinig verheffende kop ‘fuck the manager’. Alles wat er niet goed gaat in onderwijs en gezondheidszorg, sectoren waarin de kern van de zaak wordt uitgevoerd door degenen die het niet voor het zeggen hebben, wijten we aan diezelfde managers die we tot voor kort aanzagen voor de verlosser.
Dat we van ziekenhuizen bestuurlijke gedrochten hebben gemaakt waarin medisch professionals en managers elkaar vakkundig voor de voeten lopen, dat ziet iedereen. Dat denken in termen van schaalvergroting en efficiency leidt tot pervers gedrag en kwaliteit verslechtert, weten inmiddels ook zeker. ‘Echte’ managers hebben geen verstand van onderwijs, of het beter maken van mensen, denken in cijfers en realiseren zich niet dat schaalvergroting een gedachtenexperiment is, dat niet werkt in de praktijk. Mensen willen werken met mensen. Dat gaat goed tot maximaal 150 stelt psycholoog Mark van Vugt.
Toch is het onterecht om een beroepsgroep die we zelf hebben gecreëerd - inclusief de massale studies om het te worden - alles in de schoenen te schuiven. En net te doen net alsof managen los staat van leiderschap. Ik hoor het dagelijks: Leiders hebben visie, inspireren en zetten daarmee anderen in beweging. Een manager beheert en controleert. Leiden is leuk, managen is corvee. Ze kunnen moeilijk met, maar zeker niet zonder elkaar.
De beweging naar vakmanschap en menselijke maat is al ingezet. Buurtzorg als antwoord op bureaucratsiche Thuiszorg is een succes en de wijkverpleegkundige komt gewoon weer terug. Vakmensen organiseren zichzelf, in overzichtelijke groepjes. We dromen niet meer van een baan in een spiegelend kantoorgebouw, maar van werk van betekenis, met mensen die we kennen. Met hart voor de zaak én iedereen zijn eigen corvee.
Verschenen in het Financieele Dagblad
Nieuwsgierig begon ik aan Richard Bransons boek 'Screw business as usual'. De titel prikkelt en past bij mijn beeld van deze dwarsdenker. Als avonturier bestookt hij de wereld al jaren met zijn Virgin-labels en inmiddels zoekt hij het in de ruimtevaart. En nu dus in het sociaal ondernemerschap.
Als een bedrijf niet geld verdienen als enige en hoogste doel heeft, maar erop gericht is banen te creëren én zo sociale en maatschappelijke problemen op te lossen, dan is het een sociale onderneming. Winst als middel in plaats van doel. Het is best een logisch antwoord op de vraag hoe het verder moet, nu de verschillen tussen arm en rijk blijven groeien, de luchtbellen van de financiële markten worden doorgeprikt en we niet uitgepraat raken over graaiers. Nadat hij zelf jarenlang zijn ervaring en bezit had vergaard in het oud-economisch denken, begon Branson onrustig te worden. Het moest toch radicaal anders kunnen?
Als in een achtbaan neemt sir Richard me mee langs zijn ideeën. Met ‘stop saving, start reinventing’ raakt hij de kern. Geen tekorten dichten met geld, maar met een klein startkapitaal lokale ondernemers creatief leren ondernemen zodat zij zichzelf, hun gemeenschap en hun land vooruit kunnen brengen. Halverwege het boek ben ik volledig in de war. Zijn enthousiasme spat van de pagina’s. Evenals het gemak, waarmee hij vertelt dat een gesprek met hem de basis vormde voor Al Gore’s film An inconvenient truth en hij actrice Kate Winslett opvoert als huisvriendin.
Ik slinger tijdens het lezen heen en weer tussen het tintelende gevoel dat het toch goed komt met de wereld en de twijfels over zijn goednieuwsshow. Iets te makkelijk stapt hij heen over ‘business as usual’, waar de meeste mensen nu van leven. Twee pagina's verder besef ik dat als ondernemers zoals Branson een onomkeerbare verandering in denken en doen bewerkstelligen, het zeker kan lukken. Dat er mensen zoals hij nodig zijn, die het bestaande op de kop zetten en laten zien dat het wél kan.
Als ik op zoek was geweest naar keihard bewijs voor een succesformule, dan kwam ik er met dit boek niet uit. Branson houdt zich aan zijn eigen uitspraak ‘don’t confuse me with the facts’. Toch raakt hij de essentie van het ondernemerschap, waar ik volledig in geloof. Waarin sociale waarden leidend zijn, we de kracht van de gemeenschap weer benutten en onze talenten en winst inzetten om niet alleen voor onszelf maar ook voor onze omgeving te zorgen. Dat is tussen de regels door zijn boodschap: durf het echt anders te doen, vanuit vertrouwen, zonder dat je zeker weet of het lukt.
Verschenen in het Financieele Dagblad


